Skip to content

Studie- en Thesistips > 4. Afronding Thesis

Voorbeeld discussie Thesis

Thesistips Alle onderwerpen

Hieronder vind je twee keer een voorbeeld van een discussie uit een wo master Thesis ter inspiratie om jouw dicussie te schrijven. Je kunt hier de opbouw zien maar ook hoe de hypotheses worden besproken en voorbeeldzinnen. Zie ook onze pagina tips bij het schrijven van je discussie voor meer inspiratie. Wij wensen je alvast heel veel succes bij het schrijven van je discussie!

Het eerste voorbeeld is een master klinische psychologie, cijfer 8.6, auteur Mirjam de Winter:

Het tweede voorbeeld is een (cum laude, Engelse) discussie van een master forensische psychologie.

Het derde voorbeeld is een cum laude Engelse discussie van een master communicatie.

Wil je graag wat ondersteuning bij het schrijven van de discussie van je Thesis?

Discussie voorbeeld 1

Eerder onderzoek heeft aangetoond dat wanneer men terugdenkt aan een traumatische herinnering en tegelijkertijd een belastende duotaak zoals bijvoorbeeld Tetris uitvoert, de herinnering minder emotioneel wordt, ofwel een vervlakking van de emoties. In dit onderzoek werd er nagegaan of er ook sprake is van verminderde emotionaliteit bij minder intense emoties, namelijk bij alledaagse positieve en negatieve herinneringen. De centrale hypothese in dit onderzoek luidde: in de Tetrisgroep zullen de (positieve en negatieve) emoties zowel na het zien van een negatieve film als ook na het zien van een positieve film vervlakken. Het blijkt dat deze hypothese niet door de resultaten in dit onderzoek worden bevestigd: er is geen significant verschil in emoties tussen de Tetris groep en de contregroep. Hoewel de Tetris groep wel in beide condities zowel een lagere PA score als ook een lagere NA score laat zien, is dit verschil niet significant ten opzichte van de controlegroep. Tevens zijn de effectgroottes zowel van de positieve emoties als ook van de negatieve emoties laag (.04 of lager). De gevonden resultaten passen dan ook ook niet in de werkgeheugentheorie waarbij wordt gesteld dat elke belastende duotaak emotionele beelden zal vervagen. De resultaten gaan wel in de voorspelde richting maar deze verschillen zijn te klein om een significant resultaat te geven. Aangezien de effectgroottes klein zijn, lijkt het erop dat er voldoende proefpersonen hebben meegedaan maar dat het effect van Tetris in dit onderzoek niet is terug te vinden. De resultaten zijn niet in lijn met de bevindingen van Engelhard et al. (2011) die in een vergelijkbare studie wel een een significant effect vonden. Het verschil zou kunnen zitten in het soort herinneringen wat is gebruikt tijdens het experiment. In de studie van Engelhard et al. is er gebruik gemaakt van autobiografische herinneringen en in dit onderzoek waren het herinneringen aan een stukje film. Het zou kunnen zijn dat dit verschil het effect kan verklaren.

 

De redenen voor de afwezigheid van de vervlakking van emoties door het spelen van Tetris kunnen erg uiteenlopen. Allereerst zou het kunnen zijn dat het vervlakken van emoties door Tetris alleen werkt bij intense en traumatische emoties zoals in eerdere onderzoeken is gecreerd. In dit onderzoek is er gewerkt met alledaagse positieve en negatieve gebeurtenissen waarbij de emoties niet als intens en heftig zijn te omschrijven en daardoor wellicht minder zijn te veranderen. Proefpersonen keken een film met Will Smith in plaats van een trauma film paradigma. Het is uit de literatuur bekend dat intense emoties zorgen voor bepaalde cognitieve veranderingen zoals bijvoorbeeld in het geheugen. Het zou dus zo kunnen zijn dat de in dit onderzoek opgewekte emoties niet voldoende intens zijn om te kunnen vervlakken. Bovendien zijn de opgewekte emoties niet persoonlijk en autobiografisch waardoor deze wellicht ook minder intens worden ervaren door proefpersonen. Aangezien de resultaten in dit onderzoek wel duidelijk de goede richting opgaan, zou een andere reden kunnen zijn dat de manipulatie Tetris niet goed genoeg is toegepast. Doordat proefpersonen zelf een niveau van één t/m tien mochten kiezen, is niet empirisch vastgesteld in welke mate het werkgeheugen van elke proefpersoon is belast. Het zou kunnen zijn dat bijvoorbeeld veel proefpersonen op een te makkelijk niveau Tetris speelde, waardoor de cognitieve belasting laag was. Uit eerder onderzoek blijkt namelijk dat er een kleiner effect is wanneer de cognitieve belasting van de duotaak laag is (Vink, 2011). Een aanbeveling is daardoor om in toekomstig onderzoek tevens de mate van belasting van het werkgeheugen te controleren. Daarnaast zou het kunnen zijn dat tijdens het spelen van Tetris proefpersonen in mindere mate hebben teruggedacht aan de fragmenten die ze eerder hebben gezien.

 

Na afloop van het onderzoek hebben meerdere proefpersonen aangegeven dat zij het lastig vonden om aan het filmpje te blijven denken en dit daardoor ook soms vergaten. Er waren in het onderzoek tijdens het spelen van Tetris namelijk geen cues die de proefpersonen aan de fragmenten deden herinneren. Bovendien zat er ook nog een tussentaak tussen het zien van de fragmenten en het spelen van Tetris, waardoor het wellicht nog moeilijker is om aan het filmpje terug te blijven denken. Het is aan te bevelen om in volgend onderzoek gebruik te maken van bijvoorbeeld het laten zien van korte beelden tussen het spelen van Tetris door of voorafgaand aan het spelen hiervan. Op deze manier kan het geheugen van de filmfragmenten weer worden geactiveerd. Bovendien is het zinvol om te kijken of het spelen van Tetris met een langere duur meer effect heeft. Dit zou in vervolgonderzoek kunnen worden gedaan door gebruik te maken van meerdere sessies Tetris of de speeltijd te verhogen.

 

Een andere aanbeveling zou zijn om in vervolgstudies een andere populatie te onderzoeken, waarbij de populatie varieert op variabelen zoals IQ, leeftijden en socio-economische status. In het huidig onderzoek is er gebruik gemaakt van een studentenpopulatie en dit brengt limitaties met zich mee. Het gebruik van een studentenpopulatie kan ervoor zorgen dat de resultaten niet goed generaliseerbaar kunnen zijn, aangezien het een specifieke doelgroep betreft en hierdoor niet altijd representatief is voor de algehele populatie. In het onderzoek van Holmes et al. (2009) waarbij er wel een effect is gevonden, is helaas niet beschreven welke onderzoekspopulatie zij precies hebben gebruikt. De studentenpopulatie in dit onderzoek bestond uit universiteitsstudenten die over het algemeen gemiddeld tot hogere IQ scores hebben dan de normale populatie. Uit de literatuur blijkt bijvoorbeeld dat mensen met een lager cognitief vermogen ook meer vatbaar zijn voor het ontwikkelen van PTSD (McNally & Shin, 1995). Wellicht heeft het spelen van Tetris wel het verwachte effect bij mensen met een lager cognitief vermogen.

 

Tevens moet er ook rekening mee worden gehouden dat het mogelijk is dat de VAS niet voldoende sensitief is om subtiele gevoelsveranderingen te meten. Ondanks dat de VAS een veelgebruikte en valide methode is om gevoelsveranderingen te meten, zijn er ook een aantal limitaties aan dit meetinstrument verbonden. Zo geven Wewer en Lowe (1990) aan dat het voor sommige proefpersonen moeilijk is om een VAS lijn op te vatten als een representatie van een persoonlijke perceptie van een abstract concept zoals bijvoorbeeld de emotie angst.  Ook geven zij aan dat de VAS vooral bij vakere blootstelling in korte tijd een probleem zou kunnen zijn. De proefpersonen zullen bijvoorbeeld door gewenning mogelijk de tweede keer de VAS anders invullen omdat zij bijvoorbeeld een andere interpretatie aan de maximale waarde van de VAS geven. De tweede meting is dan niet alleen verschillend omdat de emoties zijn veranderd, maar wellicht ook doordat de proefpersonen zijn gaan verschillen op de interpretatie van de VAS schaal. In dit onderzoek is er gebruik gemaakt van de VAS aangezien dit de meest gebruikte methode is met tevens goede psychometrische eigenschappen. Er is echter nog niet veel bekend over de werking van de VAS wanneer er subtiele gevoelsveranderingen gemeten worden. Een aanbeveling voor vervolgonderzoek zou daarom zijn om te overwegen om een ander meetinstrument in te zetten waarbij bekend is dat deze in staat is om subtiele gevoelsveranderingen te meten.

 

Uit de resultaten is duidelijk geworden dat dit onderzoek heeft aangetoond dat het ervaren van positieve en negatieve emoties kan worden uitgelokt door kleine dingen. Het kijken van filmfragmenten met een duur van vijftien minuten bleek voldoende te zijn om zowel de negatieve als ook de positieve emoties significant te veranderen. Na het zien van een positief filmpje gingen de positieve emoties omhoog en deze emoties bleken zelfs na een half uur nog significant hoger te zijn dan de baseline meting. Ditzelfde effect is ook gevonden bij negatieve emoties na het zien van een negatief filmpje. Deze resultaten komen overeen met eerder onderzoek waarbij is aangetoond dat het laten zien van een film in een laboratorium de emoties kan veranderen (Gross & Levenson, 1997, Ekman, Davidson, Friesen, Saron & Senulis 1990).

 

Dit onderzoek kan niet bevestigen dat proefpersonen zich meer perifere details kunnen herinneren nadat zij een positief filmpje hebben gezien en meer centrale details nadat zij een negatief filmpje hebben gezien. Er is echter wel een significant interactie-effect gevonden. Wanneer er een positief filmpje is bekeken, worden er meer perifere details benoemd in de controlegroep. Wanneer proefpersonen in de controlegroep een negatief filmpje hadden bekeken, noemden men meer centrale details. Dit effect in de controlegroep stemt dus overeen met de verwachtingen. Echter blijkt dat in de Tetrisgroep de resultaten andersom zijn: bij een positief filmpje herinnerden men zich meer centrale details en bij een negatief filmpje iets meer perifere details. Opvallend is wel dat bij het negatieve filmpje de verschillen tussen het herinneren van centrale en perifere details heel minimaal waren. Het blijkt dus dat de controlegroep wel de verwachte resultaten laat zien en de Tetris groep niet. Het is mogelijk dat door het spelen van Tetris de proefpersonen de informatie toch anders verwerken en daarmee hun herinneringen anders zijn.

Voorbeeld discussie thesis

2. Besprekingsvoorbeeld Engelse Thesis

Hierbij ook een voorbeeld van een Engelstalige Thesis master forensische psychologie (cijfer 8.0, auteur Prisca van der Mullen):

In de gehele steekproef van dit onderzoek werd een patroon van profielen gevonden dat vergelijkbaar is met dat van Buisman et al. (persoonlijke mededeling, 22 september 2014). Dit impliceert dat de eerste hypothesen deels kunnen worden bevestigd: in een nieuwe steekproef van verdachten vergelijkbare profielen als die Buisman et al. gevonden kan worden onderscheiden. Deze eerste hypothese kon echter niet worden bevestigd of verworpen voor degenen die in FRIS waren geregistreerd vanwege de kleine steekproefomvang. De tweede hypothese, dat deze profielen vergelijkbaar zijn met die van Buisman et al. meer kans hebben op een toekomstige FMHA, kon in dit onderzoek niet volledig worden bevestigd. Alleen het profiel dat lijkt op First-Timer Serious Offense werd vaker geregistreerd in FRIS.

Serious Offense voor het eerst lijkt het meest onderscheidende profiel te zijn en ook het meest gerelateerd aan de latere FMHA. Dit lijkt een zeer prominent en karakteristiek profiel te zijn dat er vaak toe leidt dat aanklagers besluiten een FMHA uit te voeren. Er zijn redenen die kunnen verklaren waarom dit profiel leidt tot het vermoeden van een psychische stoornis. De gemiddelde First-Timer Serious Defence is iemand die een baan, een partner, een huis heeft en nog nooit eerder met justitie in aanraking is gekomen. En dan pleegt deze persoon, schijnbaar uit het niets, een zeer ernstig misdrijf, zoals een verkrachting, een moord of een zware mishandeling. In de ogen van een buitenstaander lijkt dit een bizarre gang van zaken. De rechtbank wil weten waarom dit misdrijf zo (schijnbaar) plotseling is gepleegd. Is dit gedrag uitsluitend uitgelokt of veroorzaakt door omstandigheden of kan er sprake zijn van een onderliggende psychische aandoening die de kans op recidive vergroot? Dit zou √©√©n van de redenen zijn waarom dit soort verdachten vaker een FMHA krijgt. In samenhang hiermee speelt het soort misdrijf een belangrijke rol. Voor de misdrijven waarvan het First-Timer Serious Defence wordt verdacht, is de kans op het krijgen van een FMHA middelmatig tot hoog (Kordelaar & Veurink, 2013). Deze kans hangt samen met de aard van het misdrijf (mensen in gevaar, gericht op mensen, gericht op bekenden), de ernst van het misdrijf (grote immateri√ęle schade, grote inbreuk op de rechtsorde) en recidive (eerdere veroordelingen, zelfde soort eerdere veroordelingen, meer dan 4 keer eerder veroordeeld en verdacht binnen een jaar na het verstrijken van de eerdere misdrijven; Kordelaar & Veurink, 2013). De andere profielen voldoen echter ook aan de meeste van deze criteria, wat wijst op de noodzaak van een FMHA, maar lijken niet te correleren met een latere FMHA; De Veelpleger staat bekend om de vele keren dat hij binnen een jaar na het vorige misdrijf recidiveert, de Ernstige Recidivist recidiveert veelvuldig met ernstige misdrijven, en de Bijna Eerste Overtreder wordt verdacht van een ernstig misdrijf terwijl hij/zij dat misdrijf nooit eerder heeft gepleegd en heeft weinig geschiedenis van overtredingen (merkwaardige relatie tussen dader en misdaad).

De vraag rijst waarom deze andere profielen in dit onderzoek niet op overtuigende wijze verband houden met een latere FMHA. Dit kan te maken hebben met praktische redenen die de officier van justitie ertoe hebben gebracht te besluiten geen FMHA aan te vragen. E√©n daarvan is de aanwezigheid van een recente FMHA die een verdachte had voor een eerder misdrijf. Dit zou waarschijnlijker zijn voor de veelpleger en de ernstig recidivist die regelmatig misdrijven plegen. Het kan zijn dat de verdachten al een maatregel hebben gehad of in afwachting zijn van hun straf en dat zij het lopende misdrijf v√≥√≥r of tijdens de uitvoering van deze straf hebben gepleegd. Een andere verklaring is het feit dat de Reclassering ook een korte mentale beoordeling kan uitvoeren om een advies aan de rechter te geven (Reclassering Belgi√ę, 2012; Bosker, 2007). Deze kan de FMHA vervangen die de gedragsspecialist van het NIFP doet, waardoor de verdachte niet in FRIS wordt geregistreerd.

Naast de zojuist genoemde externe mogelijke verklaringen voor de resultaten die niet precies in de verwachte richting wijzen, zijn er enkele beperkingen van dit onderzoek waarmee rekening moet worden gehouden. In de eerste plaats is er de variabele van de gevallen die zijn geclassificeerd volgens een van de profielen van Buisman et al. werd met de hand gedaan. Subjectieve fouten van deze methode kunnen niet worden uitgesloten. Bovendien zou een aspect van de statistische methode van clusteranalyse als een beperking kunnen worden gezien. Buisman et al. (persoonlijke communicatie, 22 september 2014) gebruikten de Latent Class Analysis om hun vier profielen te vinden op basis van drie factoren. In het huidige onderzoek zijn de factoren vooraf berekend en vervolgens is op deze factoren een clusteranalyse uitgevoerd. Deze statistische ongelijkheid zou het verschil kunnen hebben veroorzaakt tussen wat we hebben gevonden en wat Buisman et al. hebben gevonden. gevonden. Ten slotte kan worden gesteld dat de periode van zes jaar tussen de misdaden en dit onderzoek (2008-2014) te kort was. Toekomstig onderzoek naar dit onderwerp zou de beperkingen van het huidige onderzoek moeten overwinnen door een grotere en representatievere steekproef te gebruiken, meer op statistische basis gebaseerde en consistente analysemethoden te gebruiken, en een grotere hoeveelheid tijd tussen het misdrijf en het onderzoek te kiezen.

Toekomstig onderzoek naar profielen van verdachten om aanklagers te ondersteunen bij het nemen van hun beslissingen om al dan niet een FMHA aan te vragen, wordt sterk aanbevolen. Hoewel dit onderzoek een aantal beperkingen had die de uitkomst mogelijk negatief be√Įnvloedden, vonden we vergelijkbare profielen als die van Buisman et al. en √©√©n daarvan heeft betrekking op de registratie in FRIS. Dit kan worden gezien als een indicatie om de waarde van deze profielen verder te onderzoeken. Wanneer ze in toekomstige studies kunnen worden gevalideerd, kunnen ze dienen als een effectief en effici√ęnt hulpmiddel voor aanklagers bij het nemen van beslissingen over het aanvragen van FMHA. Dit zou kunnen bijdragen aan een nauwkeurigere manier waarop daders worden veroordeeld en/of behandeld. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat het aantal daders met een psychische aandoening in gevangenissen wereldwijd, inclusief Belgi√ę, zeer hoog is (Fazel & Danesh, 2002; WHO, 2014). Voor veel daders met een (ernstige) psychische stoornis is de gevangenis niet de juiste plek. Veel gevangenissen ontberen de juiste (sociale) omgeving, behandeling en diensten die deze psychiatrische pati√ęnten nodig hebben (WHO, 2014). Dit is een probleem dat wereldwijd een groot aantal overtreders treft. Uit eerder onderzoek blijkt dat het aantal daders met een psychische aandoening zeer hoog is (Brink, 2005; Vinkers, de Beurs, & Barendregt, 2009; WHO, 2014), en dat mensen met een psychische aandoening vaker recidiveren. (Vinkers et al., 2009). Uit veel onderzoeken is gebleken dat de juiste interventies tijdens detentie en rehabilitatie bijdragen aan lagere recidivecijfers (zie voor een overzicht: Dowden, 2000, of; Lipsey & Cullen, 2007). Dit benadrukt de noodzaak van goede maatregelen en behandelingen voor daders om recidive terug te dringen. Maar op voorhand moeten de daders door het rechtssysteem worden erkend als degenen die onderzoek en behandeling nodig hebben. Zowel voor de individuele dader met een psychische aandoening als voor de veiligheid van onze samenleving is het van groot belang dat we er in slagen psychische aandoeningen tijdig te signaleren, te behandelen en recidive zoveel mogelijk te voorkomen.

3. Discussie voorbeeld Engelstalige master communicatie

Discussie

Hypothese 2a wordt ondersteund door het tweede onderzoek. Consumenten gaven meer geld uit aan aankopen na blootstelling aan een advertentie in de winkel dan blootstelling aan een advertentie buiten de winkel. Met betrekking tot hypothese 2b wordt dit gedeeltelijk aangetoond door onderzoek 2. Uit het interactie-effect bleek dat wanneer het geadverteerde product niet gebruikelijk was voor de consument, de consument meer geld uitgaf aan aankopen na blootstelling aan een advertentie in de winkel, dan aan blootstelling naar een advertentie buiten de winkel. De verwachting was echter dat in situaties waarin het geadverteerde product gebruikelijk was voor de consument, de consument na blootstelling aan een advertentie buiten de winkel meer geld zou uitgeven aan aankopen dan na blootstelling in de winkel. De resultaten hebben bewezen dat deze verwachting onjuist is.

Algemene discussie

Het doel van de huidige studie was om het effect van locatiegebaseerde advertentieboodschappen en locatiegebaseerde advertentietypen op het koopgedrag te onderzoeken, rekening houdend met de modererende rol van consumentenloyaliteit en advertentierelevantie. Met betrekking tot consumenten die buiten de winkel aan advertenties worden blootgesteld, zijn prijspromoties effectiever om het koopgedrag te be√Įnvloeden dan inspirerende promoties. Bovendien tempert de loyaliteit van de consument dit effect. Dit betekent dat minder loyale consumenten meer geld uitgeven na blootstelling aan prijspromoties, en dat de loyalere consument meer geld uitgeeft aan aankopen na blootstelling aan inspirerende promoties. Vervolgens hebben we aangetoond dat consumenten meer geld uitgeven aan aankopen na blootstelling aan advertenties in de winkel, vergeleken met blootstelling aan advertenties buiten de winkel. Bovendien verwachtten we dat dit effect afhankelijk zou zijn van de vraag of het geadverteerde product gebruikelijk of niet-gebruikelijk is voor de consument. Uit de resultaten blijkt dat wanneer het geadverteerde product niet gebruikelijk is voor de consument, consumenten meer geld uitgeven aan aankopen na blootstelling aan een advertentie in de winkel. De verwachting was echter dat in situaties waarin het geadverteerde product gebruikelijk was voor de consument, de consument na blootstelling aan een advertentie buiten de winkel meer geld zou uitgeven aan aankopen dan na blootstelling in de winkel. We kunnen echter alleen een conclusie trekken voor het scenario dat we noemden.¬†

Dit is het eerste onderzoek dat ontrafelde hoe de belangen van consumenten bijdragen aan de werking en grenzen van LBA. We vonden steun voor het idee dat consumentenbelangen kunnen bijdragen aan de effectiviteit van LBA, door een raamwerk te gebruiken waarin we ook rekening houden met factoren die verband houden met de boodschap en de locatie. We hebben aangetoond dat het belangrijk is om rekening te houden met de mate van loyaliteit van consumenten in het onderzoek naar LBA. De resultaten laten zien dat blootstelling aan prijspromoties effectiever is om het koopgedrag te be√Įnvloeden in situaties waarin de ontvanger minder loyaal is. Dit komt overeen met traditioneel marketingonderzoek dat stelt dat minder loyale consumenten gevoelig zijn voor prijsveranderingen wanneer zij een beslissing nemen om een bepaald merk te kopen (Brown, 1974, Webster, 1965, Massy & Frank, 1965, Kanghyunm & Thanh, 2011). In lijn met cognitieve consistentietheorie√ęn (Calder, 1981; Cacioppo, & Petty, 1985) wordt betoogd dat de cognitieve uitwerking van overtuigingskracht rijker is wanneer de ontvanger loyaal is, vanwege bestaande ervaringen met het merk. Bovendien berust deze bevinding op een andere theoretische benadering die impliceert dat loyaliteit verband houdt met de bereidheid om meer geld uit te geven aan het uitproberen van nieuwe producten of diensten van het merk waar consumenten zich aan verbinden, vanwege de positieve genegenheid van de consument voor het merk (Roselius, 1971, Bauer, 1960, Mellens, Dekimpe en Steenkamp, 1996). Inspiratiepromoties bevatten informatie over nieuwe producten, dit verklaart waarom voor loyale consumenten inspiratiepromoties effectiever zijn om het koopgedrag te verhogen dan prijspromoties.

Een andere belangrijke bevinding van het huidige onderzoek is dat het effect van LBA-types afhankelijk is van de consumptiegewoonten van consumenten. We hebben kunnen vaststellen dat advertenties met niet-gewone producten voor de consument effectiever zijn als consumenten er in de winkel aan worden blootgesteld, vergeleken met blootstelling buiten de winkel. Uit deze informatie kunnen we concluderen dat consumenten die zich in een op prikkels gebaseerde omgeving bevinden ‚Äď op het moment dat ze aan de advertentie worden blootgesteld ‚Äď meer getriggerd worden om producten te kopen wanneer ze normaal gesproken extern worden aangestuurd (Nedungadi, 1990). Wanneer consumenten hun keuzes baseren op een op prikkels gebaseerde overwegingen, hebben ze dus een bepaalde prikkel nodig die hun koopgedrag kan be√Įnvloeden (Nedungadi, 1990; Alba & Amitava, 1985). In op prikkels gebaseerde omgevingen zijn prijspromoties die betrekking hebben op niet-gewone producten die niet in het geheugen zijn gecodeerd, dus een externe signaal voor consumenten die hun koopgedrag kunnen be√Įnvloeden. Prijspromoties met gebruikelijke producten die in het geheugen zijn gecodeerd, zijn in dergelijke omgevingen minder effectief om het koopgedrag te be√Įnvloeden.

Bovendien konden we met dit onderzoek aantonen dat blootstelling aan advertenties in de winkel effectiever is om het koopgedrag van consumenten te be√Įnvloeden dan blootstelling buiten de winkel. Deze bevindingen komen overeen met de CLT (Liberman & Trope, 2008), die uitlegt dat een grotere psychologische afstand leidt tot lagere construal levels, wat in feite de betrokkenheid en hogere aankoopintenties zou kunnen vergroten (Luo, Andrews, Fang, & Phang, 2013, H√ľhn , 2016). Bovendien komen deze inzichten overeen met de RAM (Baker & Lutz, 2000), die stelt dat het waargenomen nut van een overtuigende boodschap kan worden vergroot als het product in de boodschap zowel toegankelijk als relevant is voor de ontvanger. Advertenties in de winkel zijn, naast congruent met de locatie, ook meer congruent met de huidige doelstellingen van ontvangers.¬†

Ten slotte onthult dit onderzoek belangrijke resultaten met betrekking tot het ontwerpen van berichtinhoud. In lijn met onderzoek van Katz en Byrne (2013) laat dit onderzoek zien dat prijspromoties in LBA een sterker effect hebben op het koopgedrag dan inspirerende promoties. Met betrekking tot CLT (Liberman & Trope, 2008) kan worden geconcludeerd dat de overtuigingskracht van LBA toeneemt wanneer de inhoud van het LBA-berichtontwerp aansluit bij de gedetailleerd geori√ęnteerde en concrete manier waarop mensen LBA verwerken. Dit leidt tot een vloeiende verwerking van de overtuigende boodschap en kan dus de perceptie van opdringerigheid verminderen, wat in feite het koopgedrag be√Įnvloedt.

Sterke punten, beperkingen en richtingen voor verder onderzoek

De huidige studie heeft enkele beperkingen. Ten eerste ontbeert het quasi-experimentele ontwerp van onze studie interne validiteit, maar dit ontwerp resulteert wel in een hogere externe validiteit. Aangezien het experimentele ontwerp werd toegepast op gegevens uit de bestaande mobiele applicatie van een internationale moderetailer, waren we beperkt in het verkrijgen van gerichte informatie die willekeurig over de populatie kon worden verspreid. Deze vooraf ontworpen toepassingsgegevens kunnen echter een beperking zijn. Omdat ons veldexperiment gebruik heeft gemaakt van gegevens uit de echte wereld, is het gebrek aan ecologische validiteit opgelost, wat resulteert in een goede weerspiegeling van hoe LBA werkt in echte marketingpraktijken. Verder onderzoek kan het huidige onderzoek repliceren door de behandelingen willekeurig aan alle deelnemers toe te wijzen om de interne validiteit te vergroten.

Bovendien resulteerde de onmogelijkheid om consumenten willekeurig aan alle condities toe te wijzen in het tweede onderzoek in ongelijke steekproefomvang. Door de data te analyseren hebben wij hier rekening mee gehouden en daarom is het belangrijk dat onze resultaten een weerspiegeling zijn van de werkelijkheid. De reden voor het verschil in steekproefomvang is dat consumenten alleen advertenties in de winkel ontvangen als ze Bluetooth op hun apparaten hebben geactiveerd. Met deze praktijkgegevens hebben we aangetoond dat niet veel consumenten hier gebruik van hebben gemaakt. Een mogelijke oplossing hiervoor is het langer laten lopen van de campagne. Omdat de internationale moderetailer van nature korte campagnes heeft, konden we deze oplossing niet implementeren. Dit is een suggestie om mee te nemen in verder onderzoek.

Interessant is dat we geen bewijs hebben gevonden voor de veronderstelling dat, in situaties waarin consumenten zich buiten de winkel bevinden, advertenties met gewone (versus niet-gewone) producten effectiever zijn in het be√Įnvloeden van koopgedrag. We baseerden deze verwachting op het idee dat keuzes buiten de winkel worden overwogen op basis van op geheugen gebaseerde overwegingen (Nedungadi, 1990; Alba & Amitava, 1985). In dergelijke situaties speelt het terugvinden van merken of producten een belangrijke rol, en gewone producten worden in het geheugen gecodeerd en kunnen dus gemakkelijker uit het geheugen worden opgehaald (Lynch & Scrull, 1982). Daarom lijkt het erop dat wanneer consumenten keuzes maken op basis van geheugen en zich in de nabijheid van winkels bevinden, de consumptiegewoonten van consumenten er niet toe doen. Dit is het eerste onderzoek in het LBA-onderzoek dat de interactie tussen LBA-berichttypen en de consumptiegewoonten van consumenten onderzoekt. Daarom wordt voor verder onderzoek voorgesteld dit te repliceren om te controleren of dezelfde resultaten zullen worden gevonden.

Dit is het eerste onderzoek dat in het onderzoek van LBA rekening houdt met de belangen van consumenten. Vanwege privacyoverwegingen konden we geen rekening houden met de demografische gegevens van consumenten. Voor verder onderzoek zou dit interessant kunnen zijn om te onderzoeken, omdat bijvoorbeeld jongere consumenten vaker mobiele telefoons gebruiken dan oudere consumenten, wat bijdraagt aan de werking en beperkingen van LBA. Bovendien zou het voor verder onderzoek interessant zijn om te onderzoeken hoe deze bevindingen zich verhouden tot andere bedrijven, zoals de horeca- of reisbranche.

Bestuurlijke implicaties

Dit artikel laat zien dat consumenten meer geld uitgeven na blootstelling aan advertenties in de winkel, vergeleken met advertenties buiten de winkel. Om deze reden zouden detailhandelaren de inzet van dit LBA-type moeten overwegen, ook al is het aantal consumenten dat wordt blootgesteld aan advertenties in de winkel lager dan het aantal consumenten dat wordt blootgesteld aan advertenties buiten de winkel. Een andere interessante bevinding is dat wanneer het geadverteerde product niet gebruikelijk is voor de consument, de consument meer geld uitgeeft aan aankopen na blootstelling aan advertenties in de winkel, vergeleken met blootstelling aan advertenties buiten de winkel. Voor retailers betekent dit dat LBA in de winkel nuttig is om consumenten te targeten met nieuwe producten of recent gelanceerde producten.

Bovendien gaven consumenten na blootstelling aan prijspromoties buiten de winkel meer geld uit aan aankopen dan na blootstelling aan inspirerende promoties. Daarnaast hebben we aangetoond dat minder loyale consumenten meer geld uitgeven aan aankopen na blootstelling aan prijspromoties buiten de winkel. Bovendien gaven loyale consumenten meer geld uit aan aankopen na blootstelling aan inspirerende promoties buiten de winkel. Daarom is het raadzaam om loyale consumenten naar de winkel te lokken door hen te targeten met inspirerende acties, en voor de minder loyale consument is het beter om gebruik te maken van prijsacties.

Concluderend stellen mobiele loyaliteitsapplicaties retailers in staat hun consumenten te targeten met gepersonaliseerde en locatiegebaseerde aanbiedingen. Uit dit onderzoek blijkt dat het belangrijk is om dergelijke tools en unieke data te gebruiken, omdat het een enorme kans blijkt te zijn om de effectiviteit van marketingcampagnes te vergroten.

Kun jij wel wat hulp gebruiken bij je discussie? Onze professionele Thesisbegeleiders helpen je graag!

Lees verder

Aanbevelingen

Alles over

4. Afronding Thesis

Chat openen
1
Hallo ????
Kunnen we je helpen?